Groepen
Hoe maak ik een werkstuk en hoe bereid ik een spreekbeurt/boekbespreking voor.
Spreekbeurten, boekbesprekingen en nieuwsbericht.
Nieuwsbericht.
Wat moet je doen als je een nieuwsbericht moet presenteren.
1 Kies 4 artikelen uit de krant of van internet.
2 Die artikelen mogen maximaal 1 week oud zijn.
3 Kies de volgende 4 artikelen uit:
- Belangrijk wereldnieuws.
- Belangrijk Nederlands nieuws.
- Belangrijk Zeeuws nieuws.
- Belangrijk sportnieuws.
4 Lees de 4 artikelen.
5 Probeer in ze in je eigen woorden te vertellen.
6 Gebruik ook hier weer sleutelwoorden om je artikel aan de klas te vertellen. Het is dus niet de bedoeling dat je het artikel gaat voorlezen.
7 Ook hier mag je weer powerpoint, internet e.d. gebruiken om iets te laten zien.
Naam Wanneer/datum(altijd dinsdag)
Marije 4 oktober
Julia 11 oktober
Hannah 1 november
Willemijn 8 november
Celine 15 november
Ruby 22 november
Sophie 29 november
Robbert 13 december
Bente 10 januari
Imke 17 januari
Otto 24 januari
Sander 31 januari
Wouter 7 februari
Sara 14 februari
Luuk 28 februari
Roos 6 maart
Amy 13 maart
Bart 20 maart
Tinca 27 maart
Jack 3 april
Vera 10 april
Wilco 17 april
Marnix 24 april
Iris 8 mei
Anne 15 mei
Lotte 22 mei
Boekbespreking en spreekbeurten.
Spreekbeurten en boekbesprekingen zijn altijd op maandag.
|
Spreekbeurten |
Boekbesprekingen |
|
19 september: Jack Hockey |
19 september: Robbert Raveleijn |
|
26 september: Lotte |
26 september: Bente |
|
3 oktober: Anne Artsen zonder grenzen |
3 oktober: Sophie |
|
10 oktober: Iris |
10 oktober:Imke |
|
17 oktober: Marnix Apen |
17 oktober: Otto |
|
31 oktober: Wilco Fiets |
31 oktober: Sander |
|
7 november: Vera |
7 november: Wouter De Zevensprong |
|
14 november: Tinca Olympische Spelen |
14 november: Sara |
|
21 november: Bart Onweer |
21 november: Marije |
|
|
|
|
12 december: Roos |
12 december: Hannah Het geheime weekboek van groep 8 |
|
19 december: Luuk |
19 december: Willemijn Het leven van een loser, deel 1 |
|
9 januari: Sara |
9 januari: Celine |
|
16 januari: Wouter |
16 januari: Ruby |
|
23 januari: Sander |
23 januari: Bart: Hoe overleef ik de brugklas |
|
30 januari: Otto
|
30 januari: Tinca Kippenvel, de rol van je leven. |
|
6 februari: Imke Unicef |
6 februari: Luuk De tombe van Achnetoet |
|
13 februari: Bente |
13 februari: Roos Gruwelhotel |
|
27 februari: Robbert |
27 februari: Amy |
|
19 maart: Sophie |
19 maart: Vera |
|
26 maart: Ruby |
26 maart: Wilco |
|
2 april: Celine |
2 april: Marnix |
|
16 april: Willemijn
|
16 april: Iris |
|
7 mei: Hannah
|
7 mei: Anne |
| 14 mei:Julia | 14 mei:Lotte |
| 21 mei: Marije De Panda |
21 mei:Jack |
| 28 mei:Amy | 28 mei:Julia |
Boekbespreking:
Een boek lezen wordt, door o.a. het computergebruik, spelletjescomputers, televisie e.d. door steeds minder kinderen gedaan. En dat is jammer, want van lezen word je wijzer en bovendien is het ook nog leuk(mits je een boek te pakken krijgt dat jou aanspreekt).
Een boekbespreking
Als je een boekbespreking voorbereidt denk dan aan de volgende dingen:
1.Hoe heet het boek?
2.Wie heeft het geschreven?
3.Heeft de schrijver nog meer boeken geschreven?
Is het een boek uit een serie? Als dat zo is, moet je dan eerst andere delen gelezen
hebben om het verhaal goed te kunnen begrijpen?
4.Wat voor soort boek is het?
Bijvoorbeeld: jongensstreken, een dierenverhaal, een sprookje, vriendinnenverhaal,
speurdersverhaal, reisavontuur, spannend, detective.
6.Vertel of je denkt dat het echt gebeurd is of niet (of echt zou kunnen gebeuren) of dat je
denkt dat de schrijver het verhaal verzonnen heeft.
7.Waar speelt het verhaal zich af?
Soms wordt er geen bepaalde plaats genoemd. Dan zeg je bijvoorbeeld: op de boerderij,
in de stad of in een dorp, op Mars of op de Noordzee of in het Wilde Westen, in een bos
of in een sprookjesland, etc.
8.Wanneer speelt het verhaal zich af...nu......in de Middeleeuwen, enz, enz.
9 Wie zijn de belangrijkste personen/figuren in dit boek vertel er iets over deze personen.
In sommige boeken is de hoofdpersoon een kind of een volwassene maar het kan
ook wel eens een koning of een kabouter of zelf een dier.
10.Vertel kort waar het boek over gaat..........een soort samenvatting dus.
11.Zou je andere kinderen aanraden om dit boek te lezen?
Zo ja? Vertel dan waarom.
Zo nee? Vertel waarom niet.
12.Aan het einde van de boekbespreking mag je een stukje van ongeveer 5 minuten
voorlezen uit het boek. Dit stukje kies je zelf uit.
Spreekbeurt.
Een spreekbeurt is weer net even iets anders dan een boekbespreking.
Stappenplan spreekbeurt:
Stap 1:
Kies een onderwerp
Schrijfje onderwerp op:
....................................................................................................
Stap 2:
Maak een woordspin over jouw onderwerp. Schrijf in het midden van een vel papier het onderwerp.
Daaromheen schrijf je allemaal woorden die te maken hebben met jouw onderwerp.

Stap 3:
Maak hoofdstukken
- Bekijk je woordveld.
- Streep onderwerpen en vragen die je niet in je spreekbeurt wilt bespreken door.
- De woorden en vragen die overblijven komen in je spreekbeurt.
- Geef woorden en vragen die bij elkaar horen dezelfde kleur. Nu heb je verschillende hoofdstukken.
- Bedenk titels voor jouw hoofdstukken.
- Zet jouw hoofdstukken in de goede volgorde
Mijn hoofdstukken zijn:
1.........................................
2..........................................
3......................................
4..................................................
5..........................................
Stap 4
Zoek informatie
Hoe kom je aan goede informatie?
- je kunt met mensen gaan praten. Misschien ken je iemand die veel over het onderwerp weet. Schrijf de vragen die je wilt stellen op;
- zoek in de bibliotheek;
- zoek op het internet.
Goede interne sites bij mijn onderwerp zijn:
.........................................................................................................
.....................................................................................................
Goede boeken voor mijn onderwerp zijn:
............................................................................................................
..............................................................................................................
Stap 5:
Maak een spiekbrief met daarop in losse woorden de tekst van jouw spreekbeurt.
Tip: Schrijf groot.
Stap 6:
Verzin 3 vragen aan de klas over wat je net verteld hebt.
Vraag 1...........................................................................................................
Vraag 2:...........................................................................................................
Vraag 3:...........................................................................................................
Stap 7:
Zoek materialen die je kunt laten zien.
Deze spullen laat ik zien:
- ..................................................................................................................
- ..............................................................................................
- ..............................................................................................
- ......................................................................................................................
Stap 8:
Oefen hardop
Oefen eerst een keer hardop voor jezelf. Ga dan voor de spiegel staan en oefen nogmaals hardop.
Vraag daarna je vader, moeder, broer, zus of vriend om naar jouw spreekbeurt te luisteren.
Tip: Oefen ook een keer met een stopwatch. Dan weet je hoelang je
spreekbeurt duurt. De spreekbeurt mag 15 minuten duren.
Stap 9:
Houd de spreekbeurt
Leg je spullen klaar en houd de spreekbeurt.
Tip: Neem rustig de tijd om dingen te laten zien.
Tips tegen de zenuwen
Bijna iedereen die een spreekbeurt moet houden is zenuwachtig. Dat is heel normaal. Volwassenen hebben daar net zo goed last van. Toch moet je doorzetten. Hoe vaker je een spreekbeurt houdt, hoe minder last je van zenuwen krijgt. Door vaak te oefenen, krijg je meer zelfvertrouwen. Om je te helpen heb ik een aantal tips voor je: Zorg voor een goede voorbereiding Zorg voor een duidelijk 'spiekbriefje' waar je de kernwoorden groot op hebt staan. Zet je onderwerpen op het bord.Oefen thuis een keer voor je ouders/broertje/zusje of voor de spiegel Draag kleding waarin je je prettig voelt Praat rustig en duidelijk.Probeer rustig adem te halen.
